Jaloezie als hulpmotor

Vandaag heb ik alle berichten op deze blog herlezen en dat ging snel want het zijn er maar een twintigtal. Het grappige is dat ik in een aantal berichten schrijf over mijn onzekerheid en over de vraag of ik ooit tot een boek zal komen. Ook op de pagina waarop ik mezelf (in 2015) voorstel is die onzekerheid terug te vinden.

En nu vier jaar later is dat boek er, het wordt binnenkort gedrukt en voorgesteld, en hopelijk ook door velen gelezen. Het is geen meesterwerk, het zal geen stof doen opwaaien, maar het is mijn kind, ik ben er blij mee en ik ben er fier op. Het is met veel minder faalangst geschreven dan het eerste (nog onuitgegeven) boek en het baant de weg naar meer.

Heel wat mensen hebben me aangemoedigd en geholpen met nalezen en corrigeren en ik kan ze niet genoeg danken daarvoor. Maar wat me ook geholpen heeft is… jaloezie.

Met al die klinkers erin, met die j aan het begin en die z er middenin vind ik jaloezie een mooi woord. Toch heeft het een negatieve reputatie. Is jaloezie dan helemaal verkeerd? Wat gebeurt er als je je jaloezie niet wegsteekt maar observeert?

Ik voel regelmatig jaloezie. Op mensen die iets moois presteren. Vooral als het kunstenaars zijn, schrijvers, bloggers, dichters en muzikanten, en vooral als die mensen jonger zijn dan ik. Ik voel een soort verlangen om hen te evenaren, maar ik word me dan pijnlijk bewust van mijn limieten.

Een paar jaar geleden was ik jaloers op een auteur die al verschillende boeken heeft geschreven over thema’s die mij ook nauw aan het hart liggen. Ze is niet alleen jonger dan ik, ze is ook erg mooi en ze heeft fans. Ook in haar persoonlijk leven leek het haar voor de wind te gaan. Ik zou er mijn dagboeken uit die tijd kunnen op naslaan, maar ik herinner me dat die afgunst aan mij knaagde, dat ik mij ervoor schaamde en dat ik er gericht begon over na te denken hoe ik van die jaloezie kon afkomen.

Het gemakkelijkste leek me haar te negeren, ogen en oren te sluiten als het over de schrijfster in kwestie ging, en me op iets of iemand anders te richten. Maar ik wist dat ik haar niet uit de weg kon gaan, dat ze vroeg of laat mijn pad zou kruisen als ik zelf ambitie had om te publiceren.

Er zat niets anders op dan mijn jaloezie onder ogen te zien. Ik besloot om contact met haar te zoeken. Waarom ik dat wilde doen was toen nog vaag, op een of andere manier wou ik mijn jaloezie ontleden, ze voor mezelf zichtbaar maken. Dat ik er uiteindelijk iets constructiefs mee kon doen, was toen nog niet aan de orde.

We waren eerder samen bij een project betrokken geweest en daardoor was het niet moeilijk om haar uit te nodigen op een kopje koffie. En wat bleek? Ze was niet alleen intelligent, belezen en mooi, ze was ook nog eens erg vriendelijk. We hadden een fijne babbel. Was mijn jaloezie als bij toverslag verdwenen? Neen. Maar we bleven contact houden en mijn afgunst verminderde stilaan. Ik leerde de schrijfster beter kennen, ik besefte dat schrijven voor haar net zo hard zwoegen was als voor mij en vooral dat zij net als ik een mens was met onzekerheden en zwakheden en dat niet alles haar voor de wind ging zoals ik gedacht had. Mijn jaloezie smolt, werd een plasje en verdampte tenslotte.

Vorige week hoorde ik op de radio een interview met de jonge gelauwerde dichteres, Charlotte Van den Broeck. Ze heeft nu ook een boek geschreven dat erg interessant lijkt. En opnieuw voel ik jaloezie. Want haar gedichten zijn wondermooi. En nu ook nog een boek, en ze is nog maar een twintiger!

Nee, ik ga geen contact met haar zoeken. Ik ga haar lezen. Ik ga haar aandachtig lezen en van haar leren. Van een twintiger.

Ik ga haar lezen zoals ik onlangs Flessenpost uit Reykjavik van Laura Broeckhuyzen heb gelezen: bij de eerste pagina’s voelde ik al jaloezie op haar mooie, originele, natuurlijk klinkende taal, maar ik kon mijn afgunst al snel omzetten in verhoogde aandacht, erop lettend wat ik van haar kon leren.

Iemand zei me ooit dat rivaliteit niet per se slecht is, het kan een stimulans zijn. Ook jaloezie kan een motor en een stimulans zijn. Als ze de enige drijfveer is, zal de ambitie snel verarmen, denk ik, maar als hulpmotor, en omgezet in nieuwsgierigheid en leergierigheid, kan jaloezie echter tellen. Daarom koester ik haar voortaan. Als ik haar nu voel, dan weet ik dat er iets te leren valt.

 

 

 

 

Halfweg de blovel

Een blog opstarten is een avontuur, een blovel beginnen is nog een graad spannender. In beide gevallen ga je als blogger een engagement aan met je lezers, maar er zijn een paar belangrijke verschillen.

Eindigheid

Een blog over schrijven, fotografie, filosofie, met gedichten, kortverhalen of recepten kan eindeloos doorlopen. Een blovel moet ergens stoppen. Ik vind het handig om het einde al minstens gedeeltelijk in mijn hoofd te hebben, zodat ik er naartoe kan schrijven. In Chris! lopen verschillende verhaallijnen door elkaar. Van één verhaallijn (2017, over LP) wist ik vanaf het begin hoe het zal eindigen, de andere verhaallijnen krijgen vorm in de loop van het schrijfproces.

Frequentie

De berichten op Chris! verschijnen om de andere dag. Dat is een vrij hoog tempo en dat was oorspronkelijk niet de bedoeling. Maar het verhaal drijft me op een of andere manier verder. Waarschijnlijk omdat ik het einde al in gedachten heb.

Ik weet ook niet of alle lezers deze frequentie fijn vinden? Anderzijds denk ik dat hoe langer de pauzes tussen de afleveringen zijn, hoe moeilijker het wordt om te volgen.

Van de hak op de tak

Om de verschillende verhaallijnen tegelijk te laten oplopen moet ik af en toe verspringen. Daarbij probeer ik de andere verhaallijnen altijd een beetje mee te nemen. Het is zoals een jaquard-breiwerk, je moet de draden in de verschillende kleuren de hele tijd mee inbreien.

Interactie

Via de WordPress-statistieken kan ik zien in welke mate elk bericht gelezen wordt. Ik zie het aantal bezoekers per land en het aantal views, maar – wees gerust – ik zie niet wie er precies leest. Een paar volgers laten weten dat ze het laatste bericht gelezen hebben, door op like te klikken, dat is altijd leuk. Ik merk de laatste tijd ook dat elk nieuw bericht de dag van de publicatie door een groot aantal volgers gelezen wordt. Dat vind ik een goed teken. De weinige commentaren die ik tot nu kreeg waren positief. Verder heb ik een beetje het raden naar het effect van de berichten. Toch is het schrijven van een blovel een minder eenzame bezigheid dan een roman in boekvorm schrijven. Zeker als je geen uitgever of een eindredacteur hebt die achter je veren zit.

Inbreng

Aangezien het om fictie gaat en het einde nog niet helemaal vast staat, kunnen lezers het verhaal beïnvloeden. Mogelijk moeten de lezers hier nog wat aan wennen? Toch is er tot vandaag minstens één wending het gevolg van een lezers-inbreng. Zo is Nicolas het verhaal binnengekomen nadat iemand opmerkte dat de personages bijna allemaal vrouwen waren.

Leerschool

Van alle schrijfvormen die ik al uitgeprobeerd heb, is dit misschien wel de meest dwingende en daardoor ook de meest leerzame formule. Het verhaal moet uitgeschreven worden, ik kan het niet maken om halverwege te stoppen. Er is geen eindredacteur die de helderheid en de overzichtelijkheid in de gaten houdt, dat moet ik zelf doen. Ik moet me voortdurend afvragen of de lezers nog wel kunnen volgen. Elke tekst lees ik minstens tien keer na, en laat ik nog eens nalezen door een schrijfvriendin (waarvoor mijn oneindige dankbaarheid, Johanna V.) vooraleer ik het bericht post.

Spannend

Het is ook het meest spannende wat ik ooit al heb gedaan. Ik heb het gevoel dat ik me om de andere dag voor de leeuwen gooi. Maar het grote voordeel is dat ik elke tekst nog kan aanpassen als dat nodig zou zijn.

Genre

Voor deze eerste blovel heb ik gekozen voor een licht verhaal en een eenvoudige verteltoon. Ik noem het chicklit+ (voor alle leeftijden, voor alle romantische oriëntaties, voor alle gendervarianten). Ik weet niet of de blovel-formule geschikt is voor een ernstiger genre.

Vragen?

Wie vragen, opmerkingen of suggesties heeft: graag!

Jouw roman als feuilleton? Blovel!

Het begon met Anker Tong. Hij of zij meldde zich aan als volger bij een van mijn blogs. Altijd leuk om nieuwe volgers te krijgen, maar Anker Tong viel wel erg op met zo’n naam. En dus deed ik wat WordPress aanraadt als je een nieuwe volger over de vloer krijgt: even gaan kijken waar die andere mee bezig is.

Onder de blogtitel staat eenvoudig: fictie. Ik begon te lezen en ontdekte dat ik me middenin een verhaal, zeg maar een lijvige roman, bevond. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en ik googelde de naam van de zogenaamde auteur. Een paar klikken later leerde ik het begrip ‘blovel’ kennen op de blog Salon Van Sysiphus van Tom Ronse.

Een blovel is een roman (novel) in een blog. Veel meer informatie dan het artikel van Tom Ronse vond ik niet. Toch moeten er meer Nederlandstalige blovels bestaan, maar waar zijn ze in blogland? Hoe vind je ze?

Het idee om zelf een roman als blovel op het publiek los te laten begon te kriebelen en liet me uiteindelijk niet meer los. Maar eerst wat achtergrond.

Madame Bovary als serie

Als we het vandaag over series hebben, denken we aan Netflix of aan vertrouwde zenders zoals VRT NU, waar het soms moeilijk kiezen is welke serie je eerst wil uitkijken. Veel mensen vinden het leuk als een verhaal over afleveringen gespreid wordt.

Dat had ook Dickens begrepen. Een aantal van zijn boeken startten als feuilleton in een door hemzelf opgericht tijdschrift. Toen het verhaal uiteindelijk als roman verscheen was het verder aangevuld, zodat de lezers het boek toch nog kochten om te weten hoe het verhaal eindigde. Pittig detail: als Dickens ergens ging voorlezen, bewerkte hij de tekst vooraf nog een keer.

Gustave Flaubert schreef zes jaar aan Madame Bovary. Deze roman over een ongelukkige en overspelige doktersvrouw verscheen als feuilleton in een Parijs weekblad en zorgde in die tijd voor heel wat schandaal. Maar toen de roman als boek op de markt kwam, werd het een bestseller.

Bij Couperus verliep het omgekeerd. Toen de belangstelling voor zijn talrijke romans afnam, begon hij feuilletons voor een Nederlands dagblad en een literair tijdschrift te schrijven.

Het idee om een verhaal in afleveringen te brengen is waarschijnlijk zo oud als de vertelkunst zelf. Dat er in deze tijd naar nieuwe publicatiewegen gezocht wordt is dan ook niet verwonderlijk

Typisch blovel

Wat dan wel verwonderlijk is: blovels zijn moeilijk op te sporen. Er moeten er nochtans heel wat zijn, er wordt immers meer dan ooit geschreven.

Hoewel er geen strikte regels voor het blovelen zijn, bestaan er toch criteria. Maar die moeten eerder als aanbevelingen gezien worden. De kunst is namelijk om het publiek geïnteresseerd te houden en de lezers niet teleur te stellen door bijvoorbeeld het verhaal te lang te laten aanslepen of door het voortijdig af te breken.

Er wordt aangeraden om twee of drie keer per week een aflevering te posten. De berichten kunnen best niet te lang zijn, ongeveer 500 woorden lijkt ideaal. De blovel mag niet te lang aanslepen, langer dan een jaar wordt afgeraden. Het verhaal ontwikkelt zich tijdens de looptijd van de blog en lezers kunnen commentaar geven of zelfs de verhaallijn beïnvloeden. Net zoals een roman moet er een begin, een conflict en een oplossing zijn. Als de blovel uiteindelijk als boek of blook verschijnt, kan de inhoud uitgebreider zijn dan de oorspronkelijke blogberichten.

Cliffhangers

Wil je je lezers na elk bericht laten uitkijken naar de volgende aflevering, dan moet elke tekst eindigen met een cliffhanger. Dat is misschien wel de grootste uitdaging voor de auteur, vooral omdat de berichten niet te lang mogen zijn want de weblezer is doorgaans gehaast. Blogberichten en dus ook blovels worden vaak tussendoor gelezen: tijdens het ontbijt, het werk, de lunch, onderweg, of ‘s avonds laat, en de spanning moet blijven hangen tot de volgende leesbeurt.

Leuk en minder leuk

Intussen weet ik het: blovelen is spannend. Er is de druk om twee à drie keer per week een aflevering te schrijven en het is ook elke keer weer afwachten of je gelezen wordt. En als je gelezen wordt, wie registreert zich als volger? Komt er commentaar? Zijn de reacties positief? Vinden de lezers het verhaal spannend genoeg?

Je bent als auteur zelf helemaal verantwoordelijk voor de opbouw van het lezerspubliek, en goed en spannend schrijven is niet de enige manier om lezers te werven. Naast het schrijven moet je kanalen zoeken om je blovel bekend te maken. Ook dat is een uitdaging.

Als autonoom auteur heb je ook geen uitgever en een eindredacteur naast jou. In het beste geval heb je een schrijfmaatje dat bereid is om elk bericht even na te lezen en te corrigeren. En dat is pure luxe, geloof me. Want net als bij een gedrukt boek, kunnen lezers genadeloos afhaken als je ondermaats schrijft of fouten maakt. 

Tag je blovel

Maar waar zitten nu al die anderen? Behalve Anker Tong en mijn eigen blovel (Chris!) ken ik er nog eentje: Gezultmaarzeszijn, een verfrissend project van Kathleen Verbiest dat in de zomer van 2016 aan alle criteria van de blovel beantwoordde zonder de vermelding ‘blovel’ in de titel of als tag.

Daarom een warme oproep aan iedere blogger die fictie schrijft en dus blovelt zonder het misschien te weten: vermeld het woord blovel ergens op je blog, zet het bij elk bericht in je tags. Laten we elkaar ontdekken en van elkaar leren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het doel herzien

Indien iemand mij een jaar geleden voorspeld zou hebben dat ik mee zou doen aan Nanowrimo (National novel writing month) zou ik dat nooit geloofd hebben. Ik dacht er niet aan om mezelf aan dit soort druk te onderwerpen.

Maar omdat ik al een klein jaar met een verhaal in mijn hoofd liep en dat maar niet uitgeschreven kreeg, besloot ik het toch maar te proberen.

Het doel is 50.000 woorden te schrijven in de maand november. Duizenden mensen over de hele wereld doen eraan mee. Tussen de 1700 en de 2000 woorden per dag leek me haalbaar. En de eerste week ging het goed.

Maar intussen gaat het leven gewoon door en komen verwachte wendingen op onverwachte momenten. Al in de tweede week onderbrak ik anderhalve dag. De achterstand leek mij nog inhaalbaar.

We zijn nu op de helft van de maand en een nieuwe wending vraagt mijn aandacht. 2000 woorden per dag is nu niet mogelijk en de kans dat ik de 50.000 woorden haal is alles behalve reëel.

Bon. Geen drama. Het verhaal is goed opgestart en het einde komt er wel. Misschien in december, misschien in januari. Dan heb ik een eerste versie en begint het echte werk.

Want doorschrijven, heb ik ontdekt, is plezierig. Je niet te veel aantrekken van juist woordgebruik en logische zinsconstructies helpt als je onder druk staat om de tekst binnen een bepaalde tijd neergeschreven te krijgen.

Wat ik ook ondervind: de schrijfgewoonte heeft zich al min of meer genesteld. Ik verlang er opnieuw naar om elke dag te schrijven. Ook al is het maar één pagina of zelfs maar één paragraaf.

Elke dag een beetje doorschrijven is het nieuwe doel. En eigenlijk heb ik dat al bereikt, het loopt gewoon door. Alleen daarom ben ik blij dat ik ermee begonnen ben.

En volgend jaar, november 2019, dan zien we wel.

 

Een gedicht als een vaas

Azertyfactor.be bestaat vijf jaar. Voor die gelegenheid werd een boek uitgegeven met vijfentwintig teksten van forumleden. De teksten werden geselecteerd door Vitalski uit de honderden teksten die eerder tip van de week geweest waren.

Mijn gedicht Het kapsalon werd gekozen. Een hele eer. En ik was ook erg blij met de keuze van dat gedicht, want ik ben pas een aantal jaren geleden begonnen met gedichten schrijven en als ik door mijn proza- en poëzieblog blader zie ik genoeg gedichten waar ik minder blij mee geweest zou zijn. Het is een leerproces dat nooit eindigt.

In de zomer van 2015 werd Het kapsalon getipt door Luuk Gruwez. Zijn commentaar maakte mij toen aan het huilen. En als ik hem nu herlees maakt hij mij nog steeds blij. Over wat er precies gebeurt in Het kapsalon blijft hij voorzichtig. Maar hij heeft in ieder geval door dat er iets anders dan een gewone knipbeurt aan de gang is. Of hij zich een voorstelling heeft kunnen maken van de scene die aanleiding gaf tot dit gedicht zal ik wellicht nooit weten. Indien dat wel het geval was, ben ik hem dankbaar omdat hij dit niet heeft vermeld.

Ook de commentaar van Vitalski maakt me blij. Wie zou niet overgelukkig zijn met een slotzin als: ‘Zonder meer een van de mooiste gedichten die ik ooit las.’ Hoe fijn is het om te lezen dat sommige woorden en regels waar ik lang over nagedacht heb door de lezer ook echt worden gesmaakt. En dat de euforie in het gedicht ingetogen beleefd moet worden was ook werkelijk de bedoeling. Dat dit overgekomen is, maakt mij gelukkig. Ik ben blij dat Vitalski van mijn gedicht heeft genoten, ook al ligt zijn interpretatie van het gebeuren dichtbij, maar toch iets verderaf van de door mij beschreven scène.

Luuk Gruwez en Vitalski zijn mannen. Zouden vrouwen sneller doorhebben waarover Het kapsalon gaat? Ik heb het getest met zussen en vriendinnen. Ze moeten het gedicht een paar keer herlezen en dan komt de ‘Aha!’.

Toen ik de commentaar van Vitalski onder ogen kreeg, werd ik heel even ongerust. Had ik explicieter moeten zijn? Maar nu weet ik het. Mijn gedicht is zoals de vaas van Rubin: je ziet een vaas of je ziet twee profielen. Eens je de profielen hebt gezien, zie je de vaas niet meer. Daarom hou ik van dit gedicht. Maar nog meer omwille van de herinnering aan die vrolijke zondagnamiddag met mijn kapster.

Wie ziet de vaas? Wie ziet de profielen? Laat me weten wat je denkt te zien in Het kapsalon, in een commentaar hieronder, of in een e-mail naar christinevandenhoveapestaartgmailpuntcom.

 

Vaas van Rubin

IMG_0025

Leren van feedback

Het geven en ontvangen van feedback is een delicate aangelegenheid. Hoe geef je commentaar op een tekst zonder de schrijver te ontmoedigen? Hoe vermijd je dat de schrijver de commentaar als kritiek op zijn persoon opvat?

En aan de andere kant: Hoe lees ik de opmerkingen van de feedbackgever zonder me aangevallen te voelen?

Hier is een trucje om dat laatste te vermijden: ik observeer mijn reactie en doe daar iets nuttigs mee, in de tekst, niet daarbuiten.

Drie voorbeelden van feedback op een gedicht ‘in de maak’:

Commentaar: ‘Ik begrijp dit niet.’

Mijn spontane reactie is om meteen te gaan uitleggen. In plaats van dat te doen, vraag ik me af hoe ik dat, wat niet begrepen wordt, zou uitleggen. Vervolgens probeer ik de uitleg te integreren in de tekst/het gedicht. In dit geval is het gedicht een zkv (zeer kort verhaal). Dat vraagt een begin, een midden en een einde. Dat helpt verduidelijken.

Commentaar: ‘Het blijft allemaal wel heel erg aan de oppervlakte.’

Is het waar? Ja, in dit geval is het waar. En waarom is dat zo? Nu heb ik opnieuw de neiging om dat uit te gaan leggen. Niet doen… Er is een reden waarom het aan de oppervlakte blijft. De reden in dit verhaal/gedicht is dat de personages voor het eerst met elkaar aan tafel zitten. Die reden moet een plaats krijgen in de tekst/het gedicht.

Commentaar: ‘Er zit voor mijn gevoel veel meer dieps in dit tafereel, iets dat jouw eigen voorkeuren ontstijgt. Misschien als je het tafereel niet op jezelf zou betrekken, maar meer als een foto neerzet?’

Hmm… het proberen waard. Een heel interessante oefening, ontdek ik nu. Ik verander van perspectief en herschrijf de tekst/het gedicht in de derde persoon. Door dat te doen ga ik vanzelf stukken tekst schrappen of verplaatsen. En wat nu? Ik kan voor dit perspectief kiezen, of opnieuw naar het oorspronkelijke perspectief gaan, met de nieuwe wijzigingen. En kijk, alles is plots duidelijker.

Het resultaat van deze uitwisseling staat hier.

Met dank aan feedback-engel en schrijfmaatje Johanna V.