Eenvoudige poëzietechnieken 3

Stel je in de plaats van een dier. Dat kan een huisdier zijn, of een dier dat onuitgenodigd in je omgeving woont. Bekijk de omgeving en eventueel de mens door de ogen van de kat, de hond, een muis, een spin of een mier… Laat het dier vertellen wat het ziet, hoort, voelt, ruikt, in een zestal regels.

Voorbeelden:

Red mij

Van vliegen is geen sprake.
Veel te krap, die kooi.
Ik hip wat heen en weer,
mijn vleugels in de plooi
en roep wanhopig: 'Red mij!
Bevrijd mij uit dit ding!'
Maar niemand komt in actie.
Ze denken dat ik zing. 

Cees Rutgers
Uit De lucht is van de vogels - Dichter nr. 23

Goudhaantje

Ik klein?
Hoe kom je daar nu bij? 
Ik ben precies groot genoeg.
Van top tot teen
vul ik mijn vacht van veren.
Jij bent toch ook niet 
groter dan je vel? 

Bette Westera
Uit De lucht is van de vogels - Dichter nr. 23

Heb je zin om de opdracht uit te voeren en wil je graag (mijn bescheiden) feed-back op het resultaat? Post je gedicht hieronder of mail het naar christinevandenhoveapestaartgmailpuntcom.

Eenvoudige poëzietechnieken 2

Wat is voor jou ‘menselijk geluk’ in vier regels, rijmend?

Voorbeeld:

Het menselijk geluk

De huur betaald. De stoep geschuurd.
Een goeie visboer in de buurt.
En een meid die als ze naast je gaat,
loopt te zingen over straat.

Willem Wilmink (1936-2003)
uit: ’t kon minder (2022)

Tip: Denk eerst na over de inhoud: wat is voor jou menselijk geluk? Pas daarna de vorm aan.

Eenvoudige poëzietechnieken

De komende weken zal ik hier af en toe een poëzie-opdracht posten.

Heb je zin om de opdracht uit te voeren en wil je graag (mijn bescheiden) feed-back op het resultaat? Post je gedicht hieronder of mail het naar christinevandenhoveapestaartgmailpuntcom.

Hier komt de eerste:

Schrijf een kort gedicht over ‘vroeger’

Voorbeelden:

Vroeger

Als mijn vader het boodschappenlijstje
voor Simon de Wit invulde,
schreef hij achter elk artikel
(goed en goedkoop).
Hij is nu oud maar beschikt nog
altijd over een grenzeloze fantasie.

Willem Wilmink, uit Verzamelde liedjes en gedichten (1986)

Weet je nog
hoe we allemaal dansten en lachten
op dat grote feest in die tuin
die geurde naar pas gewassen gras
het was een heldere sterrennacht
simpel, zoals je het zegt
we waren jong als de muziek
even bestonden we voor eeuwig

Remco Campert, uit Nieuwe herinneringen (2007)

Tip: Kies een herinnering en kies dan het perspectief:  ik, jij, jij/zij, wij, jullie, zij (mv) enz.

Veel plezier ermee!

De dunne lijn tussen proza en poëzie

Toen ik -lang geleden, in de vorige eeuw- mijn eerste kortverhalen schreef en ze al eens durfde insturen naar wedstrijden, en af en toe een tweede of een derde prijs wegkaapte, had ik nog een paar hardnekkige overtuigingen: Ik dacht dat ik niet in staat was om een roman volledig uit te schrijven en ik dacht ik geen gedichten kon schrijven.

Het gevolg was dat ik het niet eens probeerde: ik begon niet aan een roman, en ik deed geen moeite om gedichten te schrijven, het leek me allebei veel te moeilijk. Lees: ik dacht dat ik er geen talent voor had. Intussen ben ik erachter gekomen dat talent een overschat gegeven is, dat je met hard werken een heel eind verder komt.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Mijn schrijversbloed kroop naar een langer verhaal, dat uiteindelijk mijn eerste roman werd. En mijn verlangen om beter te worden in het schrijven van proza, bracht me naar de poëzie.

Ik heb er lang over gedaan, maar die hardnekkige overtuigingen heb ik gelukkig achter mij gelaten. Binnenkort verschijnt mijn tweede roman, het derde boek is ‘under construction’, en het vierde verhaal zit in mijn hoofd te popelen om geschreven te worden, maar moet wachten.

De verwachting dat ik beter proza zou gaan schrijven als ik me ook op poëzie zou toeleggen, lost zich in. Volgens een van mijn leraren poëzie, Ingmar Heytze, heeft het iets met breinverbindingen te maken en zo voelt het ook. Sinds ik gedichten schrijf, kom ik tijdens het schrijven van proza sneller op mooie beelden of constructies.

Maar er gebeurde ook iets in de andere richting. Ik ontdekte dat poëzie schrijven net zo goed een manier kan zijn om een verhaal te vertellen. Een gedicht kan een begin en een einde hebben en daartussen een verloop.

En nog meer: een verhaal kan een gedicht worden en een gedicht een verhaal. Dat laatste deed ik met Als meisjes lachen. Eerst was het een gedicht, dan herschikte ik de tekst tot een zeer kort verhaal. Het gedicht leest nog steeds als een verhaal en omgekeerd. En de prozaversie werd tot mijn verrassing getipt op Azertyfactor.be .

Dat inzicht maakt de weg vrij voor nieuwe mogelijkheden. Een verhaal dat ik niet goed uitgeschreven krijg, leent zich misschien tot een gedicht? Een gedicht waar ik niet tevreden over ben, wil misschien liever een kortverhaal worden? Johanna Pas gaf me ooit de raad om af en toe ouder werk met nieuwe ogen te bekijken en ‘omzetten’ is misschien wel een manier om dit te doen.

Over poëzie gesproken: Op woensdag 9 en 23 februari, telkens om 19.30 plan ik een online poëzie-atelier. Via associatie-oefeningen komen we samen tot een aanzet van een gedicht en werken we het verder af in een tweede sessie. Samen schrijven werkt. Wil je hier meer over weten? Stuur me een bericht. Hieronder of via mijn website.

Groeien als schrijver

Onlangs publiceerde mijn zus Elisabeth een artikel op Medium over wat haar helpt om een betere schrijver te worden. Meteen ging ik daar ook over nadenken. En dit ging door me heen:

Er bestaat niet zoiets als een perfecte schrijver of een perfecte tekst. Geen enkel boek dat ooit gepubliceerd werd is perfect. Ik hoorde Marc Reynebeau ooit beweren dat er geen boeken zonder schrijffouten bestaan. Dat is dan nog maar één aspect van het schrijven want het gaat over veel meer dan spelling. Er is ook stijl, opbouw, geloofwaardigheid, enz. Als schrijver bereik je nooit de perfectie, nooit de eindstreep. En eigenlijk is dat heel geruststellend want dat betekent dat er geen aankomst is, alleen een lange, meestal kronkelige weg. En op die weg kun je stilstaan of vooruitgaan. 

Hoe kom je vooruit? Door veel te lezen en te schrijven, dat spreekt voor zichzelf. Hoe kom je in een versnelling? Door je bij te scholen. 

De afgelopen jaren ben ik op zoek gegaan naar schrijfopleidingen en dankzij de ‘bijzondere omstandigheden’ in het afgelopen jaar zijn er nu veel meer onlinecursussen te vinden. En omdat het aanbod groter wordt, lijken de prijzen redelijk te blijven. 

Omdat ik online geen algemene schrijfopleiding vond, ben ik specifieker gaan zoeken. Ik richtte me op poëzie omdat ik dacht dat als ik leerde om betere gedichten te schrijven, ik ook beter proza zou schrijven. Het is te vroeg om dat gewenste effect na te gaan, maar de poëzie heeft me te pakken en ik voel hoe ik stilaan groei in een veld waarvan ik dacht dat ik er nooit zou bloeien. 

Ik ben een laatbloeiende schrijver en nu ook een leerlingdichter. Ik ben een student in een poëzieklas èn ik ben zelf ook workshopbegeleider. De workshops die ik zelf, soms alleen, soms samen met Johanna Pas, organiseer zijn ontstaan uit een eerdere frustratie toen ik nog geen goede cursus had gevonden. Ze zijn laagdrempelig en gestoeld op het samen leren en ontdekken. 

Op die twee plekken, de cursus die ik volg en de workshops die ik geef, voel ik mij groeien. En daar word ik gelukkig van. 

PS Het poëzieworkshopseizoen van dit najaar loopt binnenkort af. Wie nog wil meedoen aan de laatste sessie op 25 juni 20 u, kan nog instappen. Het thema is ‘Poëzie over poëzie’. In het najaar plan ik drie sessies, o.a. over dichtvormen, vorm en interpunctie en onvermoede inspiratiebronnen. Geef een seintje als je interesse hebt. 

Lief selectief geheugen

Nog niet zo lang geleden, en dat is rijkelijk laat in een mensenleven, heb ik vrede gesloten met mijn geheugen. Niet dat we ruzie hadden, dat niet, maar er was onvrede. Vooral van mijn kant. Het -verdorie!- niet op een naam van een auteur of een titel van een boek of een film kunnen komen. De angst daarbij, voor de toekomst, dat het erger zou worden, dat mijn geheugen mij helemaal in de steek zou laten, dat ik dement zou worden!

Ik deed mijn beklag bij anderen en ik gebruikte daarbij de geijkte uitdrukkingen: Ik heb een slecht geheugen, mijn geheugen is een zeef, het laat me in de steek, het is niets waard en meer van dat lelijks. 

Achteraf had ik soms spijt van mijn klagen en werd ik bang dat mijn geheugen wraak zou nemen, dat het meer en grotere gaten zou maken en uiteindelijk helemaal in staking zou gaan.  

Daarom ben ik met mijn geheugen gaan praten. En wel volgens de regels van de geweldloze communicatie (**). Ik heb gezegd dat ik merkte dat ik een paar keer per dag heel hard op zoek moest gaan naar namen, titels, gebeurtenissen die ik mij probeerde te herinneren. Dat ik daar ongerust en zelfs angstig van werd. En dat ik graag zou willen dat ik weer sneller toegang had tot die informatie. 

Mijn geheugen heeft me toen uitgelegd dat het juist goed voor me zorgt, door selectief te werk te gaan en door alles efficiënt op te slaan. Het beschermt me tegen een overvloed aan data. En wat het binnenlaat wordt geordend volgens belangrijkheid en frequentie. Herinneringen, feiten, namen en data die minder van belang zijn en die ik niet zo vaak nodig heb, liggen helemaal achteraan in de gangen van mijn geheugenbibliotheek. Daarom moet ik soms een tijdje dwalen eer ik iets terugvind. En als ik het niet vind en het opgeef, gaat mijn geheugen zelf op zoek en komt het een paar uur later of soms midden in de nacht op de proppen met wat ik me zo hard probeerde te herinneren. 

En het is helemaal niet belust op wraak, verzekerde mijn geheugen me nog. Integendeel, het helpt me. Niet alleen door ordelijk en selectief te zijn, ook door ruimte te scheppen. Want waar het geheugen ruimte laat, gaat mijn verbeelding aan de slag. En is dat niet precies wat een schrijver nodig heeft?, vroeg het fijntjes. Ik stond versteld. 

Sindsdien heb ik vrede met mijn geheugen. Meer nog, ik ben het dankbaar voor het selecteren en ordenen, en zelfs voor het ruimte laten. Ik doe mijn best om geduld te hebben als het ophalen van informatie wat tijd vraagt, ik schakel mijn verbeelding in als het nodig is, en we werken als vanouds weer heel goed samen. 

* * Geweldloze communicatie: regels

  1. Beschrijf wat je waarneemt.
  2. Vertel wat je daarbij voelt.
  3. Vertel wat je nodig hebt. 
  4. Formuleer dit in een verzoek. 

Zwijg en schrijf!

In september van dit rare jaar kreeg ik een uitnodiging voor een Shut-up-and-write-sessie in Antwerpen. Toevallig was ik toen in Antwerpen, maar dat maakte niets uit want het was een online samenkomst. Ik was nog niet helemaal vertrouwd met Zoom, het was een gelegenheid om ermee te experimenteren. Vanaf de eerste sessie was ik verkocht, om de eenvoudige reden dat ik tijdens dat uurtje schrijven veel meer gedaan had gekregen dan ik doorgaans in een uur tijd doe. Ik deed een paar keer mee aan avondsessies, maar omdat ik een ochtendmens ben startte ik zelf een groep op woensdagochtend. Na een tijdje kwam er een maandagochtendsessie bij en tegenwoordig begeleid ik drie à vier sessies per week. 

Zowat op de hele planeet worden shut-up-and-writesessies georganiseerd, in verschillende tijdzones, en op verschillende momenten. Je kunt dus om het even waar aansluiten naargelang je bio-ritme, en ze werken ongeveer allemaal op dezelfde manier. Het is gratis, maar je moet je wel op voorhand aanmelden via https://shutupwrite.com. Eens je lid bent van een groep, krijg je uitnodigingen voor de geplande sessies. Je kunt ook lid worden van verschillende groepen.

Zo werkt het: In de aankondiging van een online sessie zit een zoomlink. Je meldt je aan en je wordt verwelkomd door de gastvrouw of -heer. Je wordt uitgenodigd om jezelf voor te stellen en te vertellen waaraan je werkt, en wat je plan is voor die bepaalde sessie. Die voorstellingsronde duurt een kwartier. Daarna gaat iedereen in stilte aan het werk. Het geluid wordt uitgezet, het beeld blijft aan. Zo zitten we samen in een soort kamer te werken. Na een uur neem de gastvrouw of-heer opnieuw het woord en krijgt iedereen een paar minuten om te vertellen hoe het ging. 

Het is de bedoeling om te schrijven en er wordt van alles geschreven. Sommigen werken aan een roman of aan korte verhalen, maar de sessies worden ook gebruikt om blogberichten of e-mails te schrijven, of om hangende administratieve taken af te werken. Het maakt eigenlijk niet uit wat je schrijft, of wat je doet, je kunt het ook zien als een vorm van co-working. 

Waarom werkt het zo goed? Waarom hebben we blijkbaar gezelschap en zelfs een beetje sociale controle nodig om productief te zijn? Het is heel eenvoudig: omdat we bij het begin van elke sessie een doel formuleren. En vooral een haalbaar doel, iets dat je kunt afgewerkt krijgen binnen een tijdspanne van een uur. Zodat je na dat uurtje kunt zeggen: ik heb dit doel helemaal of gedeeltelijk gehaald. Het gebeurt wel eens dat iemand van het geformuleerde plan afwijkt of zelfs de sessie onverwachts moet verlaten, maar dat wordt niemand aangewreven. Iedereen zit er vrijwillig, doet wat hij of zij wil en het is juist die vrijheid die het engagement verhoogt. Je doet het helemaal voor jezelf, maar je bent niet alleen. 

En dat is de tweede factor die deze formule tot een succes maakt: we werken samen. We hebben gelijkaardige dromen, we versterken elkaars motivatie. De afgelopen maanden heb ik een aantal fijne mensen leren kennen, die met interessante projecten bezig zijn en die belangstelling hebben voor elkaars werk. Er worden e-mailadressen, schrijftips, titels van boeken en namen van auteurs uitgewisseld. 

Een shut-up-and-write-sessie geeft bovendien structuur aan mijn dag. Tegen de middag is het schrijfdoel gehaald en kan ik het even uit mijn hoofd zetten en andere dingen gaan doen. 

Het jaar 2020 heeft ons heel wat zorgen en hoofdbrekens gebracht, maar ook goede dingen en dit is er één van. Een blogbericht in een uurtje geschreven, nagelezen en gepost, het kan. 

Elk leven laat zich vertellen

Tien boeken die me hielpen bij het schrijven van Colombe

Al mijn hele leven schrijf ik. In mijn kindertijd, mijn jeugd en mijn adolescentie waren dat vooral dagboeken, mijmeringen, pogingen tot gedichten. Later werden het korte verhalen; een roman leek me lange tijd onhaalbaar.

In 2012 verhuisde ik van Antwerpen naar een dorp in de Franse Pyreneeën. Ik zocht er rust en stilte om te schrijven. En ik kreeg ook meer tijd om te lezen.

Twee boeken hebben bij mij toen het verlangen gewekt om een langer verhaal te schrijven: The Stone Diaries van Carol Shields en Stoner van John Edward Williams. Ik zie net dat The Stone Diaries vertaald werd naar het Nederlands: De stenen dagboeken. Wie weet ga ik het opnieuw lezen. Want ik herinner me mijn verwondering over het feit dat de beschrijving van een schijnbaar gewoon leven van een vrouw in de twintigste eeuw zo interessant kon zijn, zo aantrekkelijk om te lezen. En dat kwam door de manier waarop het verhaal verteld werd, namelijk vanuit verschillende perspectieven, door verschillende personages in het leven van de hoofdpersoon.

Heel anders wordt het leven van Stoner door een derde persoon verteld, maar ook hier lezen we het verhaal van een schijnbaar banaal leven, dat juist door de manier waarop het verteld wordt, interessant wordt.

Deze boeken lieten mij zien dat een levensverhaal niet per se dramatisch of spectaculair moet zijn. De manier waarop het verteld wordt, maakt een leven al of niet interessant. Sterker nog, elk leven laat zich vertellen.

Het thema

Nadat ik voor mezelf had uitgemaakt dat ik over eenvoudige mensen wilde schrijven, dacht ik een tijdje na over een thema. En na het lezen van De overgave van Arthur Japin wist ik dat ik het over vergiffenis wilde hebben. In Japins boek is de acte van het vergeven, door een vrouw die de ergste dingen werden aangedaan, een heldendaad. Ik wilde in mijn verhaal de personages ook laten vergeven, maar in een meer gewone, misschien meer herkenbare context.

Perspectief

Van dezelfde schrijver las ik ook Een schitterend gebrek en Kolja. Die boeken namen mijn twijfels over het perspectief weg. Schrijven in de ik-persoon ligt mij. Het laat mij toe om door de ogen van het personage naar de gebeurtenissen te kijken. Door elk personage zijn of haar eigen versie van de geschiedenis te laten vertellen, kunnen we er bovendien niet omheen dat herinneringen voor iedereen anders zijn.

Taal

Het boek Nimmerthuis van Laird Hunt deed mij beseffen hoe belangrijk de taal van de verteller is. De woorden die hij of zij gebruikt, de manier waarop zinnen geconstrueerd worden, typeren het vertellende personage. In Nimmerthuis zorgt dit op de eerste pagina’s zelfs voor verwarring bij de lezer. Je gaat je afvragen of er iets misgegaan is bij de vertaling. Maar nee, het is de taal van een ongeschoolde boerin die de plaats van haar man inneemt in de Amerikaanse burgeroorlog, en dat merk je aan haar zinnen.

Historische context

Om in de sfeer van de negentiende eeuw te komen heb ik Madame Bovary van Flaubert, De geschiedenis van mijn leven van George Sand en de verhalenbundel La petite Roque van Guy de Maupassant gelezen. George Sand en ook de verhalen in La petite Roque kregen een rol in Colombe.

Daarnaast heeft De vlucht van Jesùs Carrasco een diepe indruk op mij gemaakt. Het gaat over een kleine jongen die zijn dorp ontvlucht en in een onherbergzaam gebied in Spanje probeert te overleven. Dit verhaal heeft mij beïnvloed tijdens het schrijven van het eerste deel, het verhaal van Michel.

Nadat ik de eerste versie van Colombe rond had, wees Isabelle van Ewijk, auteur van de trilogie Verpand, Verder en Verlost, mij op het boek Patience and Sarah van Isabel Miller, in 1980 vertaald naar het Nederlands met de titel Een eigen dak. Zij vond dat Colombe de sfeer van dit verhaal opriep. Dat vond ik een hele eer, want Patience and Sarah is een sfeervol en ontroerend verhaal, dat misschien wel een nieuwe vertaling en een herdruk waard is. Ook dit verhaal speelt zich af in de negentiende eeuw, maar dan in Amerika.

Zonder deze boeken was Colombe niet het boek geworden dat het nu is. Ik heb mijn personages tot leven kunnen brengen dank zij deze auteurs die me zoveel leerden. Tegelijk ben ik mijn eigen taal trouw gebleven, ik houd van eenvoudig en helder. Ik hoop dat ik via mijn stijl het thema van vergiffenis en zachtheid tot zijn recht heb kunnen laten komen.

 

 

Dit bericht staat ook op Hebban.

 

Jubelen

Ik vraag me wel eens af of ik als debutante op jongere leeftijd zo gelukkig zou zijn geweest als ik nu ben, tweeënzestigjarige. Misschien wèl, -de graad van gelukkig zijn is moeilijk te meten- maar toch heb ik het idee dat ik met ouder worden intenser gelukkig kan zijn, dat ik mijn geluk bewuster savoureer.

Word je met ouder worden vaardiger in de kunst van het gelukkig zijn? Of zet het naderen van de eindstreep aan om harder te gaan lopen, alles te geven? Allebei, denk ik. Bij mij toch.

Tweeënzestig is geen sexy getal, dat vind ik zelf. Maar ik wil het onder ogen zien. Dit is vandaag mijn getal en statistisch gezien heb ik een grote kans om vierentachtig te worden. En wie weet, leef ik nog een pak langer. Stel dat ik de vierentachtig haal, dan heb ik nog tweeëntwintig jaar, mijmer ik soms. En dan vraag ik me af wat ik met die tweeëntwintig jaar wil doen.

Het is verleidelijk om lijstjes te maken van wat ik nog wil realiseren. Natuurlijk wil ik graag nog een roman uitgeven, en daarna nog een… Maar veel meer dan dat, wil ik mij amuseren. Ik wil plezier beleven aan het schrijven en aan het schaven en afwerken. Net zoals ik gisteren plezier beleefde aan het musiceren, als tweeënzestigjarige, in een klasje met twee studiegenoten: een meisje van vijftig en eentje van twaalf.  Met een leraar die mijn kleinzoon zou kunnen zijn. En samen hebben we toch maar Zombie van The Cranberries gespeeld en ook Mad World.

Het getal is er, de rimpeltjes zijn er, mijn vingers worden wat stram en het kost moeite om sommige akkoorden te vormen. Mijn geheugen vertoont gaatjes. Maar mijn hart jubelt. Ja, jubelt. Blij, dat ik nog zoveel kan en nog zoveel zin heb.

En stel dat ik op een andere, eerdere plek in de statistieken terecht kom. Dan is het ook zo. Het is al mooi geweest. Dat mag op het prentje staan.

 

Onzekerheid als geschenk

Zoals elke zaterdag luisterde ik gisteren naar Interne Keuken op radio 1. Het ging over Susan Sontag, de ‘beroemdste Amerikaanse opiniemaker van de tweede helft van de twintigste eeuw, de meest glamoureuze intellectueel van haar tijd, het publieke geweten van Amerika, een fenomeen, een icoon…’ Kortom een persoon aan wie ik niet kan tippen, bij wie de drempel naar haar boeken en artikels erg hoog lijkt.

Toch heb ik lang geleden iets van haar gelezen, al weet ik niet meer wat het was. Dat geeft aan hoe ze in de jaren negentig doordrong in de westerse samenleving, tot in de handen van een Belgische jonge vrouw die nog alles te leren had.

Aan het woord was Benjamin Moser, haar biograaf. Hij heeft er zeven jaar over gedaan om het leven van Susan Sontag in kaart te brengen. Dat dwingt respect en bewondering af en is voor mij een reden om het boek te kopen.

Maar nog meer omwille van wat ik hem hoorde vertellen, ga ik het boek kopen. Hij had het onder andere over haar grote onzekerheid. Onzekerheid! Omdat ik zo weinig over haar wist, dacht ik dat ze alles had: schoonheid, intelligentie, en durf. Maar volgens Moser was ze ook erg onzeker. En, voegde hij daaraan toe, misschien was dat wel haar geluk. Want door die onzekerheid deed ze juist heel erg haar best. In feite, zei hij, was die onzekerheid een geschenk.

Een geschenk. Opeens kijk ik met andere ogen naar mijn eigen onzekerheid. Want ja, ik ben een onzeker mens. Tot ergernis van sommigen van mijn vrienden zelfs. En tot mijn eigen frustratie. Maar het klopt dat ik door die onzekerheid juist heel erg mijn best doe. En als Susan Sontag ondanks en zelfs dankzij haar onzekerheid tot zulke grootse dingen in staat was, dan heb ik alle redenen om mijn onzekerheid te omarmen en haar dankbaar te aanvaarden als een geschenk, en verder gewoon mijn best te blijven doen.

Het boek van Benjamin Moser is overal te koop, maar als je een kleine, aparte boekhandel wil steunen, koop het dan bij Kartonnen Dozen in Antwerpen.

images