Leren van feedback

Het geven en ontvangen van feedback is een delicate aangelegenheid. Hoe geef je commentaar op een tekst zonder de schrijver te ontmoedigen? Hoe vermijd je dat de schrijver de commentaar als kritiek op zijn persoon opvat?

En aan de andere kant: Hoe lees ik de opmerkingen van de feedbackgever zonder me aangevallen te voelen?

Hier is een trucje om dat laatste te vermijden: ik observeer mijn reactie en doe daar iets nuttigs mee, in de tekst, niet daarbuiten.

Drie voorbeelden van feedback op een gedicht ‘in de maak’:

Commentaar: ‘Ik begrijp dit niet.’

Mijn spontane reactie is om meteen te gaan uitleggen. In plaats van dat te doen, vraag ik me af hoe ik dat, wat niet begrepen wordt, zou uitleggen. Vervolgens probeer ik de uitleg te integreren in de tekst/het gedicht. In dit geval is het gedicht een zkv (zeer kort verhaal). Dat vraagt een begin, een midden en een einde. Dat helpt verduidelijken.

Commentaar: ‘Het blijft allemaal wel heel erg aan de oppervlakte.’

Is het waar? Ja, in dit geval is het waar. En waarom is dat zo? Nu heb ik opnieuw de neiging om dat uit te gaan leggen. Niet doen… Er is een reden waarom het aan de oppervlakte blijft. De reden in dit verhaal/gedicht is dat de personages voor het eerst met elkaar aan tafel zitten. Die reden moet een plaats krijgen in de tekst/het gedicht.

Commentaar: ‘Er zit voor mijn gevoel veel meer dieps in dit tafereel, iets dat jouw eigen voorkeuren ontstijgt. Misschien als je het tafereel niet op jezelf zou betrekken, maar meer als een foto neerzet?’

Hmm… het proberen waard. Een heel interessante oefening, ontdek ik nu. Ik verander van perspectief en herschrijf de tekst/het gedicht in de derde persoon. Door dat te doen ga ik vanzelf stukken tekst schrappen of verplaatsen. En wat nu? Ik kan voor dit perspectief kiezen, of opnieuw naar het oorspronkelijke perspectief gaan, met de nieuwe wijzigingen. En kijk, alles is plots duidelijker.

Het resultaat van deze uitwisseling staat hier.

Met dank aan feedback-engel en schrijfmaatje Johanna V.

 

 

 

Advertenties

Schrijfpauze

Het overkomt de besten en het heeft een lelijke naam. Ik noem niet zo, ik noem het liever schrijfpauze. Of gewoon pauze. Iedereen en alles heeft wel eens een pauze nodig. Het is augustus. De courgetteplant heeft al kilo’s courgettes gegeven en neemt nu een pauze.

Het was geen blok. Het schrijven doofde langzaam uit en ik verzette me niet. Het lichaam vroeg aandacht, er was geen tijd en geen kracht voor verzet. Geen verzet, geen verdriet. Maar het wel merken, dat ze wegbleven, de woorden, de zinnen, de verhalen.

Diep in mijn hart wist ik dat er mij maar een ding te doen stond: aanvaarden. Zelfs niet wachten of hopen. Want wie verwacht, wordt per definitie teleurgesteld. Wie niets verwacht krijgt cadeaus.

Ik kreeg een cadeau in de vorm van een bericht dat een van mijn gedichten in een bundel wordt opgenomen. En hop, daar ging het kraantje weer open. Eerst druppelend, aarzelend en nu in een fijn straaltje. Het stroomt. Tot aan een volgende pauze.

 

Na de pauze

Na de pauze
Geeuwt de muze

Ze schudt
De woorden wakker

Zinnen strekken zich
Letters buigen

De pen vraagt inkt
Het blad verbleekt

En draait zich om

 

(meer poëzie en proza op christinevandenhove.wordpress.com)

Compositie

Onlangs hoorde ik een schrijver op de radio vertellen over zijn nieuwe roman die, in tegenstelling tot zijn vorige roman, niet zorgvuldig gecomponeerd was, maar het resultaat was van een flow. Ik ben de naam van de schrijver vergeten en ik weet ook niet zeker of hij het precies zo formuleerde, maar de gedachte bleef bij me hangen: je kunt een verhaal zorgvuldig componeren of je kunt het in één trek uit je pen laten vloeien.

Ik herinner me een paar boeken waarvan je duidelijk kan zien dat ze ‘zorgvuldig gecomponeerd’ werden. Zelf hou ik van eenvoudige melodietjes. Zoals Het vogelhuis van Eva Meijer. Ik kreeg het boek in mijn handen gestopt in boekhandel Kartonnen Dozen. ‘Dit is iets voor jou,’ zei Johanna. Ik las niet eens de achterflap, ik kocht het in blind vertrouwen. Die titel alleen al. En een boekhandel waar de boekhandelaar speciaal voor jou een boek opzij legt omdat ze weet dat je van dit boek gaat houden. Zo ken ik er maar een.

Ik las het boek in een paar dagen uit. Ik lees ’s avonds in bed en ik betrapte me erop dat ik overdag al uitkeek naar mijn leesuurtje. Dat was lang geleden.

De gefictionaliseerde (wat een lelijk woord is dat toch) biografie van Len Howard, een Engelse ornitholoog, die haar familie verliet en haar werk als orkestmuzikant liet staan om in een huisje op het platteland koolmezen te gaan bestuderen, is een klein en ontroerend verhaal. Klein zoals in kleinood. Eenvoudig en mooi.

Het verhaal wordt chronologisch verteld. Elk hoofdstuk maakt een nieuwe sprong in de tijd en daartussen staan telkens stukjes uit de observaties van Len Howard zelf. Ze geeft namen aan de koolmeesjes, beschrijft hun gedrag, hoe ze koppeltjes vormen, nesten bouwen en hun jongen grootbrengen, en hoe ze met haar communiceren. Eentje leert ze zelfs tellen.

Het afwisselen van het levensverhaal van Len Howard en haar eigen (bewerkte) observaties van vogels werkt hier uitstekend. Het maakt het verhaal licht zonder afbreuk te doen aan de dramatiek. Integendeel het versterkt nog de weemoed, want als lezer ga je helemaal begrijpen hoe die vrouw van die vogels hield en hoe ze daar op den duur wat wereldvreemd van werd.

Wat een zalig boek. Dank je, Johanna Pas van Kartonnen Dozen. En wat een prachtig voorbeeld van hoe eenvoudig juist heel mooi kan zijn.

Meer over koolmezen en vriendjes op Can Xatard.

20161213_104753

Pensez d’abord!

De mediatheek van Prades, een stadje op 20 km vanwaar ik woon, organiseert blijkbaar al jaren des atelier d’écriture, een tweewekelijkse schrijfcursus die over het hele academiejaar loopt. Gratis.
Vorige zaterdag ben ik naar de eerste les geweest en ik kan mijn geluk niet op. De lesgeefster, Hélène Legrais, heeft al zestien (meestal historische) romans op haar naam. Ze was vroeger journaliste bij radio France Inter en bij Europe 1. Nu is ze fulltime schrijfster en geeft ze schrijflessen en workshops in bibliotheken en aan de universiteit van Perpignan.

Ze praat rad Frans en biedt weinig gelegenheid om tussen te komen, maar wat ze vertelde beviel me meteen. Het is de bedoeling dat we zelf gaan schrijven, maar ze gaf ons in deze eerste les alvast een paar stevige adviezen:

Pensez d’abord! Wacht met schrijven tot je zeker weet wat je gaat doen. Laat het onderwerp waarover je wil schrijven een tijdje, een paar dagen, zelfs een paar weken door je gedachten fladderen.

Bedenk eerst de personages, geef ze gezichten. Behandel ze als bestaande personen. Vraag je af wat ze in bepaalde situaties zouden doen.

Neem eventueel notities maar wacht met het eigenlijke schrijven. Vertrouw erop dat wat van waarde is voor je verhaal blijft hangen in je gedachten.

Vraag je af wat je precies wilt vertellen en probeer dat samen te vatten in één zin.

Begin dan pas te schrijven en ga uit van je personages. Breng hen van bij het begin tot leven.

Probeer niets aan te tonen, maar laat de gebeurtenissen voor zich spreken.

Doe geen moeite om mooie zinnen te schrijven maar laat het verhaal uit je ingewanden (vos tripes) komen. Leg eerst een fond, de taal verfijnen komt later.

Als je over jezelf schrijft, schrijf dan in de derde persoon. Je leert jezelf op die manier veel beter kennen.

Volg de mode niet, maar doe wat jij wilt doen. Iedereen kan schrijven, het komt erop aan om je eigen toon te vinden.

Wow, dit is eigenlijk een mooie samenvatting van alles wat ik ooit in boeken over schrijven heb gelezen.

En nu aan de slag. De opdracht luidt: Schrijf een verhaal van een à twee pagina’s waarin de lezer (in dit geval de lesgeefster) je leefwereld leert kennen. Het moet een echt verhaal zijn, met een begin en een einde en met minstens één personage erin. Het thema herfst mag erin verwerkt zijn, maar moet niet.

Tip: begin met lijstjes aan te leggen van woorden die betrekking hebben op het thema en op het verhaal. Zoek naar verbindingen tussen die woorden.

Ik heb twee weken tijd. Het lijkt me haalbaar, deze opdracht. Behalve dat het in het Frans moet. Oh dear.

De geschiedenis van haar leven

Het overkomt me wel eens dat een boek me zo in de greep heeft dat ik het dringend wil uitlezen. Ik besef dan dat ik te snel lees en dat ik sommige passages niet genoeg tot me door laat dringen. En dan beloof ik mezelf dat ik het boek -als het uit is- opnieuw ga lezen. En dat ik notities ga maken.
Natuurlijk doe ik dat niet, want er ligt nog een hele stapel te wachten.

Dat gebeurde ook met De geschiedenis van mijn leven van George Sand (1804-1876). Het is een mooie uitgave met een leeslintje eraan en het zal het nog een tijdje op mijn schrijftafel blijven liggen, maar ik zal het niet meer herlezen.

Gelukkig heb ik meteen nadat ik het boek uithad toch opgeschreven wat ik wilde onthouden:

Dat bij Aurore Dupin, later George Sand, het schrijven niet vanzelf kwam. Het was geen sterke drang, eerder een vaag verlangen om iets kunstzinnigs te doen. Ze heeft het over zichzelf niet als schrijfster, maar als kunstenares. Toen ze een eigen inkomen wilde verwerven, kwam het schrijven niet eens op de eerste plaats. Eerst probeerde ze het met miniatuurtjes schilderen.

Dat haar voor verwarring zorgende pseudoniem beter bekend was -en nog is- dan de titels van haar boeken.

Dat het feit dat ze soms mannenkleren droeg meer bekend was dan de titels en de inhoud van haar boeken.

Idem met haar verhouding met Chopin. Het was dus in die tijd ook al zo dat wie je was en met wie je omging dikwijls meer voor bekendheid, publicatiekansen en verkoop zorgde dan het oeuvre zelf.

Dat ze erg veel hindernissen ondervond bij het schrijven: tegenkantingen van mannelijke tijdgenoten, schrijvers (o.a. Balzac) en uitgevers, persoonlijke beslommeringen, vechtscheiding enz.

Dat volgens de vertalers haar taal erg slordig was, en dat wijten ze aan het feit dat ze broodschrijver was en haar werk veel te haastig deed.

Toch heb ik erg genoten van het boek. Ze vertelt haar leven op een bijna gemoedelijke manier. Ze laat hier en daar expres gebeurtenissen weg, of blijft vaag en verontschuldigt zich daarvoor, waardoor ik als lezer juist nieuwsgierig word naar haar persoonlijkheid en naar haar werk.

Als ze in deze eeuw had geleefd, had ze vast een populaire blog.

georges_sand

portrait de George Sand par Félix Nadar © France 3

Perspectief (2)

Door schrijven jezelf kennen

Als ik op perspectief zit te broeden, ga ik meestal een tekst van de filosoof Peter Bieri nalezen. Het is een fragment uit een boekje met als titel Hoe willen wij leven? Het boekje is trouwens helemaal het lezen en herlezen waard.

Hier zijn een paar stukjes uit het hoofdstuk over zelfkennis:
Voor elke vertelling is een taalkundig en psychologisch verstrekkende, je zou ook kunnen zeggen, dramatische beslissing noodzakelijk: vertel ik van buitenaf, in de derde persoon, of laat ik de personages vanuit een ik-perspectief spreken? Het zijn heel verschillende dingen die ik in deze twee gevallen over mezelf kan leren.
Vertel ik van buitenaf, dan moet er besloten worden of de taal een taal puur van gedrag en handelen moet zijn of een taal die ook een innerlijke wereld laat zien. En mijn keuze zal me leren welke verhouding ik tot de personages en de sfeer van het verhaal heb en dat leert me weer veel over het thema zoals dit me innerlijk bezighoudt. Ook moet worden besloten op welk stijlniveau er wordt verteld: of het de rechtlijnige taal van de auteur moet zijn of een taal waarin, hoewel het een taal van de derde persoon is, in woordkeuze, melodie en ritme de innerlijke wereld, de stilistische individualiteit van de besproken personages doorklinkt.

Heel andere dingen leer ik, als ik in het begin voor een andere dramatische beslissing kies en de personages doorgrond door hen zelf te laten spreken. Dan moet ik hun woorden geven die voor hen kenmerkend zijn. Klinkt eenvoudig en is vreselijk moeilijk. En is ook weer een rijke bron van zelfkennis. Want nu moet ik planmatig en consequent bij mijn eigen idioom en mijn eigen melodie vandaan gaan, en een heel ander, vreemd ritme in. En juist in de ervaring van deze vreemdheid leer ik mijn eigen idioom pas echt als mijn heel eigen idioom beluisteren en kennen, een idioom dat als een spiegel is. Hier geldt het meest direct wat Frisch voor ogen stond: beseffen wie je niet bent door uit jezelf te stappen, in iemand die je niet bent.

Veel heb ik daar niet aan toe te voegen. Alleen dat Peter Bieri weet waarover hij spreekt, want onder het pseudoniem Pascal Mercier schreef hij o.a. de indrukwekkende roman Nachttrein naar Lissabon.

Perspectief (1)

Wie vertelt?

Ik denk dat ik dit het moeilijkste vind aan het schrijven van een verhaal: het perspectief. Op een of andere manier heb ik altijd de neiging om in de eerste persoon te schrijven. Niet alleen als ik min-of-meer-zelf-meegemaakte verhalen schrijf, ook als ik een verzonnen verhaal schrijf. Ik vind het gewoon prettig om in de huid van iemand anders te kruipen en door haar of zijn ogen naar de gebeurtenissen te kijken.

Maar soms bekruipt mij dan de onnozele gedachte dat ‘echte’ schrijvers zich als alwetende verteller opstellen en het verhaal vertellen alsof ze er zelf bij zijn, maar niet deelnemen aan de actie. Dan kom ik daar een mooi voorbeeld van tegen en moet ik even zuchten. Zoals in Puur van Andrew Miller. Een verhaal over een Normandische ingenieur die in 1785 in Parijs een eeuwenoude begraafplaats moet gaan verwijderen. De verteller beschrijft vooral het gedrag van de personages. Zelden heeft hij het over hun gevoelens of hun gedachten. En toch krijg je een inzicht in hun psychologie, al is dat inzicht vooral af te leiden uit hun handelingen en komt het daardoor trager dan wanneer de verteller heel goed schijnt te weten wat er zich in de hoofden van de personages afspeelt.

Dat is het geval in Madame Bovary van Gustave Flaubert. De verteller gaat hier zelfs erg ver in het beschrijven van de diepste gevoelens van zijn personages.
Zij wist niet of ze er nu spijt van had voor hem te zijn gezwicht of dat ze er juist naar verlangde zich nog meer aan hem te geven. Het vernederende gevoel zó zwak te zijn verkeerde in een wrok die werd verzoet door de wellust.
Het wordt bijna gênant. En toch heb ik dit boek met groeiende bewondering gelezen en begrijp ik nu waarom het een meesterwerk wordt genoemd.

Maar in Madame Bovary is er iets aan de hand met het perspectief. Het boek begint met de zin: ‘Wij zaten in de studiezaal toen de rector binnenkwam, gevolgd door een nieuwe in burgerkleren en door een conciërge die een grote lessenaar droeg.’ Hier is dus een ik-persoon aan het woord. Hij vertelt hoe er een nieuwe leerling in de klas komt en hoe die zich in het begin onhandig en zelfs onbehouwen gedraagt. Het woord ‘wij’ komt regelmatig voor. Op de volgende pagina’s schijnt de verteller erg veel te weten over Charles Bovary, de nieuwe student, over zijn thuissituatie en zijn voorgeschiedenis. Het wordt meteen heel boeiend en de lezer merkt niet eens dat de ik-persoon naar de achtergrond verdwijnt. De oorspronkelijke verteller kom verder nergens meer in het boek terug.

Ik vond dit heel vreemd en ik vroeg me af Gustave Flaubert dit expres zo gedaan heeft, of of dit gewoon zo geëvolueerd is in het verhaal. Zou hij daar dan later zelf niet over gepiekerd hebben? Hij heeft immers zes jaar aan dit boek geschreven. Maar wat er ook de reden voor moge zijn, ik vergeef het hem en iedereen zal het hem vergeven en het misschien zelfs juist als een interessante eigenaardigheid zien.

Een geruststellende eigenaardigheid zelfs. Want als het verhaal goed is, maakt het niet uit wie de verteller is. Voortaan maak ik me daar wat minder zorgen over.